Bij de Olympische Spelen van dit jaar stond voor het eerst de 10 km zwemmen in open water op het programma. Dankzij Maarten van der Weijden is dit feit bij iedereen bekend.
Voor gekke en verdwenen zwemonderdelen moeten we terug naar de oertijd van de moderne spelen. In 1896 (Athene) was er bijvoorbeeld de 100 meter vrije slag voor zeelieden, een onderdeel dat alleen openstond voor Griekse mariniers.
Vier jaar later in Parijs stond de vier kilometer vrije slag op het programma. De Brit John Jarvis zwom als enige binnen het uur. John Burgess, ook een Brit, eindigde als vierde, net voor de Nederlander Ed Meijer trouwens. Burgess maakte later furore door als tweede mens het Kanaal over te zwemmen.
Ook in Parijs: de 200 meter teamzwemmen. Geen estafette zoals we die nu kennen, maar een race waarin punten gehaald konden worden via de eindklassering van elke individuele zwemmer. Duitsland klopte drie Franse teams. De Britten wilden graag meedoen, maar meldden zich te laat aan de start.
Nog twee koddige onderdelen die in Parijs werden gezwommen: de 200 meter met hindernissen. Drie keer moest een obstakel worden bedwongen: eerst over een stok, dan over een rij boten en vervolgens onder een rij boten door. De Australiër Fred Lane was de sterkste.
De Fransman Charles de Vendeville was in 1900 de sterkste in het onderwaterzwemmen. Hij zwom zestig meter ver. Ook zijn landgenoot André Six zwom zestig meter, maar omdat Vendeville drie seconden langer onder water bleef mocht hij zich winnaar noemen.